Traliegesprekken

Wanneer een jonge man aan de andere kant van het hek me naar mijn land vraagt, slaakt hij een blije kreet van herkenning. “Oh! Van België! En wij van Congo!”  “Of hij België dan kent, er al eens is geweest,” ga ik verder. “Nee”, is het enigszins verrassende antwoord. Maar ik denk hem te verstaan. Een gedeeld verhaal, een vertrouwd element. Ik begrijp het troostende van die herkenning op deze kille plek van ontheemding. Een toevallige band, met een mens aan de buitenkant van het hek. Het maakt je net iets meer gelijk, iets meer mens. “Sluiten jullie ons hier op omdat jullie bang zijn van IS? Bang dat wij terroristen zijn?” vraagt hij me.

Op de grond bij hen zit een baby van jonger dan een jaar. Ook een jongen en een meisje van 6 staan bij het hek. Als je met vluchtelingen werkt, leer je het snel af om bij een eerste ontmoeting rond te kijken en te vragen “waar is je mama?” “Wie is hier nog bij jou?” is een veiliger vraag. Het meisje is actief en babbelt graag. Ze blijft kinderlijk opgewekt, en beantwoordt heel snel al mijn vragen naar wat ze vandaag te eten kreeg (“alweer bonen en brood” zegt ze met een vies gezicht), waarmee ze heeft gespeeld (“er zijn hier alleen maar potloden”) of haar broertje braaf is (“ja, maar hij wil graag een bal”) en waar ze slapen in het kamp (“op de grond, op een deken in een tent”), en stelt telkens nieuwsgierig andere vragen aan me terug. Mijn naam, heb ik iets lekkers bij, kan je binnen komen om te spelen, waarom ik hier ben, of ze mijn armband mag zien.

Mijn gesprekspartner draait zich plots om, tilt haar voet op. “Maman, ici! Wrijf over mijn voet, hij doet pijn.” Er is een mama, denk ik een beetje opgelucht. En C. glimlacht vermoeid naar me, wrijft over haar dochters pijntje en zegt vermanend: “Zo spreek je niet tegen je mama hoor. Je vraagt dat beleefd.” Ik denk aan mijn kinderen en de normaliteit van dit gesprek, en dat opvoeden niet stopt, ook niet als je opgesloten zit.

Als C. me wat later flarden vertelt van hoe ze in haar thuisland met haar pasgeboren kinderen twee jaar in een gevangenis leefde, maandenlang reisde om hier te belanden, met pijnlijke details over de vreselijke oversteek ’s nachts tussen Turkije en hier, haperen haar woorden. Ze slikt, pauzeert en produceert een geforceerde glimlach. “Elle pleure sans larmes.” zegt een andere vrouw om de stilte te doorbreken. “Voor de kinderen.” “Ze zien hier te veel slechte dingen.” voegt ze toe.

Thuis in België is heel wat te doen rond onze waarden, kindhuwelijken en de universele kinderrechten. Een belangrijke strijd. Europa heeft zelf duidelijk ook nog wat werk aan hoe het kinderen behandelt.

Een sociaal werker in het kamp die anoniem getuigt, vertelt hoe hij het geweld dag na dag ziet toenemen. Er zijn steeds meer incidenten tussen de bewakers en de vluchtelingen, en ook steeds meer geweld onderling. Een alleenstaande Syrische moeder werd tijdens het douchen in de gemeenschappelijke douches met haar twee kinderen aangerand. De sfeer van onveiligheid en angst stijgt. Hij geeft ook aan dat incidenten met een vluchteling vaak door de bewakers met geweld bedwongen worden, en “dat ze weten waar ze moeten slaan zonder te markeren.”

De komende dagen kom ik steeds terug bij de Congolezen en het valt me op hoe ze er steeds slechter en vermoeider uit zien. De situatie in het kamp wordt grimmiger. Komt het door de stress rond de gedwongen uitzetting waarvan iedereen wilde geloven dat Europa dit niet écht zou doen? Of door de slapeloze koude nachten, het ééntonige eten en te veel mensen die op een kluitje moeten samenhokken? Of door het geweld?

De bewakers spreken me steeds onbeleefder toe en geven me minder tijd. Maar ik geef braaf gevolg aan hun orders, want gisteren gaf een Palestijnse hippe tiener me te kennen dat hij niet verder wilde spreken aan het hek, uit vrees voor repercussies door één van de bewakers. Het is een vreselijke gedachte dat ze gestraft zouden kunnen worden omdat ze te lang met ons praten.

De sociaal werker staat intussen voor een gigantische taak. Hij moet de uiterst kwetsbaren identificeren, en mag voor hen plaatsen zoeken op het eiland, weg uit het detentiekamp. “Het probleem is,” vertelt hij me ’s avonds na zijn werk, “ze zijn met veel erg kwetsbaren, zieken, getraumatiseerden. En hoe langer ze daar blijven, hoe kwetsbaarder ze worden.” Dus tracht hij prioriteiten te stellen en te werken met de beperkte alternatieven die er op het eiland beschikbaar zijn om mensen elders te huisvesten. “Ik zie vandaag minstens 90 mensen die daar dringend vandaag, gisteren eigenlijk, weg moeten. En dat is een nauwe selectie, op 3000. Maar ik moet elke dag blij zijn als ik er in slaag om voor een 5 tal “cases” een plek met een betere behandeling te vinden.” Hij probeert te focussen op alleenstaande ouders met jonge kindjes, mensen met psychische aandoeningen.

Eén van de plekken waar deze mensen worden opgevangen is bij de met sluiting bedreigde organisatie Pikpa op het eiland. Op een stuk grond van de gemeente, worden kwetsbare vluchtelingen opgevangen. Ik praat er met een Syrisch meisje van 18 met een levendige blik, die er verblijft met haar moeder en zus met een mentale beperking. Ze is spontaan en extravert, en ik heb moeite om haar snelle Arabisch te verstaan. Haar moeder lijdt aan zware suikerziekte, zij zelf steunt op twee krukken. “Granaatscherven.” En ze wijst naar haar zwaar ingepakte onderbeen. Ze gooit zich nu volledig op Engels leren. Er is duidelijk véél meer werk op het eiland dan waar de ngo vandaag handen voor heeft. Minder handen zou een regelrechte ramp zijn, want de autoriteiten kunnen het werk duidelijk niet overnemen. Een petitie moet de ngo Pikpa hopelijk helpen om hun werk hier verder te kunnen doen.

Vandaag werd niemand uitgewezen naar Turkije. Maar de journalisten die vruchteloos in de haven stonden te wachten hebben toch nog werk gevonden. Ze staan nu allen bij de ingang van het Moria detentiekamp, waar een 200-tal mannen en enkele kinderen op de grijze stenen ondergrond in de felle Griekse lentezon een zitstaking houden. Hun eis is “let us out” en “freedom”. In Arabisch schalt door de luidsprekers “Ga terug naar uw kamers. Het is nu etenstijd. Alstublieft.” Ik geloof dat deze etenstijd de protesteerders kan gestolen worden. Ze hebben persaandacht, en dat geeft hen de hoop dat misschien iemand die een einde kan maken aan deze situatie, hen zou kunnen horen.