Blog vrijwilliger Pablo: "22 jaar, helemaal de kluts kwijt en perspectiefloos"

door anoniem
  • Pablo geeft basisinformatie over de asielprocedure aan het Klein Kasteeltje

Pablo Fernandez Alonso is vrijwilliger bij ons Startpunt. De vrijwilligers staan meerdere ochtenden per week aan het aanmeldcentrum voor asielzoekers (Dienst Vreemdelingenzaken en Fedasil) -Klein Kasteeltje- in Brussel. Daar komen mensen toe die internationale bescherming vragen in ons land. Pablo geeft er basisinformatie over de asielprocedure en antwoordt op vragen die mensen hebben.

Het Brusselse Saincteletteplein, een zaterdagavond in januari

Ik kwam terug uit Antwerpen. Het sneeuwde. Ik schoof in mijn auto aan het kruispunt aan, wachtend op mijn beurt om verder te rijden. Bijna thuis!

En toen zag ik je. Of juister: toen nam ik je waar. Je was immers nog ver en het zicht was niet optimaal. Maar tegenwoordig herken ik mensen zoals jij makkelijk. Wennen doet het echter nooit.

Je was jong. Je had het hoogstwaarschijnlijk koud en was drijfnat. Je overvolle rugzak was heel strak om je magere rug gebonden. Die zou je alvast niet snel weer kwijtraken!

Toen ik wat dichter kwam merkte ik de baseballpet. Mocht het wat warmer zijn geweest dan had je die waarschijnlijk stoer achterstevoren op je hoofd gezet. Nu echter had je de kap van je regenjas heel strak om je hoofd gesnoerd.

Je stond midden op de weg en vroeg de mensen die voor me stonden om wat wisselgeld. Ik weet niet of je geluk had en wat toegestopt hebt gekregen. Ik hoop in elk geval dat je, zoals ik wel vaker zag, niet telkens werd getrakteerd op steeds maar onverschillige blikken of erger nog, op scheldpartijen. Je bent al de hele tijd in mijn gedachten. Ik hoop dat je eten en een slaapplek hebt gevonden.

Ik hoopte dat de verkeersstroom zo zou lopen dat ik op je hoogte stil zou staan en dat je ook mij die vraag om wat geld zou kunnen stellen. Ik heb, speciaal voor die heel talrijke gelegenheden, steeds wat muntjes naast me liggen. Toen het groen werd ging ik speciaal langzaam rijden, maar helaas, ik moest door. Voor een groen licht stilstaan staat in Brussel bijna gelijk aan een uitnodiging tot verkeersagressie.

Achteraf dacht ik: waarom ben ik niet om de hoek gestopt? Waarom heb ik je niet gevraagd of ik je nog verder kon helpen. Je misschien doorverwezen naar plekken waar je wat beschutting zou kunnen vinden. Wat warmte in dat koude, natte, grijze en onherbergzame Brussel van 30 januari 2021.

Maar ik deed het dus niet.

Je bent al de hele tijd in mijn gedachten. Ik hoop dat je eten en een slaapplek hebt gevonden. Misschien zelfs wat landgenoten hebt ontmoet met wie je kon praten, wie weet wat lachen, de miserie en de uitzichtloosheid even kon vergeten.

Ik denk aan jou zoals ik denk aan zovele anderen die ik naar beste vermogen en met zo open mogelijke geest én hart probeer tegemoet te treden in een paar projecten waar ik mij als vrijwilliger inzet.

Aan M bijvoorbeeld. Een Afghaanse jongeman die 6 jaar geleden, als 16-jarige, helemaal alleen naar ons land is gekomen. Eerst mocht hij, als minderjarige, naar school en werd er goed voor hem gezorgd. Hij spreekt nog altijd uitstekend Nederlands. Zijn droom is om in de ouderenzorg te gaan werken. Als student heeft hij immers in een paar WZC’s stagegelopen. Mokerslag na mokerslag. Waarom zou hij nog blijven leven? Tell me, Sir. Why? Maar zijn asielverzoek werd afgewezen. En opnieuw. En opnieuw. Maar nog steeds hoopt hij te kunnen blijven en vraagt hij zich af waarom “Belgium” hem niet wil helpen.

Wat heeft hij verkeerd gedaan? Kan ik hem dat zeggen? Zijn ogen schieten vol tranen als hij over zijn moeder praat. Hij verzekert haar elke keer dat het hem heel erg goed gaat hier in België. Hij kan zijn mama toch niet ontgoochelen? Zijn vader is door de Taliban vermoord. Hij deed zaken met de politie, vandaar. 22 jaar, helemaal de kluts kwijt en perspectiefloos. Mokerslag na mokerslag. Waarom zou hij nog blijven leven? Tell me, Sir. Why?

Y komt uit de Westelijke Sahara. Een zachtaardige, teruggetrokken jongeman, zich vastklampend aan alles wat een beetje “normaal” is of lijkt. Maar die dat tegelijk tussen zijn vingers ziet wegglippen. Hij begrijpt nog steeds niet goed hoe het lot hem via heel wat omzwervingen tenslotte in België heeft doen belanden.

Niemand lijkt hem te kunnen uitleggen wat precies zijn rechten zijn, wat precies zijn situatie is. Zijn overwerkte advocaat meldt hem (en mij) dat hij contact op zal nemen “van zodra hij iets weet”. Op dat moment wachtend doolt Y door Brussel, op zoek naar een bibliotheek die open is en waar hij wat zou kunnen lezen (zich daar inschrijven kan hij wettelijk niet). Gelukkig heeft hij een slaapplaats. Dat is een zorg minder.

O komt uit Libië. Toen ik hem ontmoette kon hij nauwelijks staan en waren zijn been en rechterarm helemaal gespalkt. O was zo onvoorzichtig geweest om in Libië van zijn geloof te vallen en daar geen geheim van te maken. De studie van de natuurwetenschappen leidde hem daartoe, mijnheer. Die eerlijkheid heeft hem bijna zijn leven gekost. Niet enkel in Libië zelf, maar ook op Malta waar in het opvangcentrum al snel het gerucht de ronde deed dat er een “afvallige” in hun midden was. O komt uit Libië. Toen ik hem ontmoette kon hij nauwelijks staan en waren zijn been en rechterarm helemaal gespalkt. 

Mij zal je nooit horen beweren dat iedereen die op de vlucht is automatisch een toonbeeld van tolerantie en humanisme wordt! Hier hoopt O op beter begrip en bescherming. Kan ik hem in contact brengen met vrijzinnige verenigingen? Is dat contact gelegd? Voelt hij zich al wat veiliger?

 

Ook I komt uit de Westelijke Sahara. Hier samen aangekomen met zijn jarenlange partner O. Twee jongemannen. Prille twintigers. Nu ze eindelijk hier waren zouden ze zich hun nieuwe vrijheden niet meer af laten nemen. We’re here, we’re gay and we’re proud. Na maandenlang wachten en procedures waar ze zich niet aan hadden verwacht (de Dublin-akkoorden, weet je wel) zakt de moed hen wat in de schoenen en is er van de “pride” steeds minder te merken. Wachtend op een beslissing. Wat als het een “neen” wordt? De angst en verbijstering zijn voelbaar. 

Nog een laatste voorbeeld van iemand die in mijn geheugen staat gegrift. Een Eritrese man. B is 21. Hij zat in een centrum wachtend op uitwijzing naar Duitsland. Hij heeft daar jaren terug asiel gevraagd, heeft ondertussen goed Duits geleerd want dat was tenslotte essentieel als je wou werken, niet? De autoriteiten beslisten echter hem geen toestemming te geven in Duitsland te blijven. In plaats van bij onze oosterburen beroep aan te tekenen besloot hij zijn kansen in ons land te wagen. Geen dak, geen eten, geen verwarming, geen beschutting.

Helaas botste hij op de onverbiddelijkheid van de wet en de internationale afspraken die ons land heeft getekend. Hij zag het niet zitten en kocht alcohol. Dat is tegen het reglement van het asielcentrum. Toen hij daarop werd aangesproken werd hij boos en raakte de pedalen kwijt. Is iemand hierdoor echt verbaasd? Resultaat: hij werd uit het asielcentrum gebannen en moest maar op straat gaan “afkoelen”. 

B werd dus voor iets waarvan hij zelf toegaf dat het fout was afgerekend op een manier waarop geen enkele 21-jarige bij ons, door zijn ouders b.v., zou afgerekend worden. Met zeer ingrijpende gevolgen: geen dak, geen eten, geen verwarming, geen beschutting. Het enige wat het centrum waar hij om raad kwam vragen en ik voor hem konden doen was hem een slaapzak bezorgen. Hopelijk was er ergens in het Maximiliaanpark toch nog een droog plekje te vinden vorig weekend en is de politie niet gekomen om hem weg te jagen.

Als je in een grootstad als Brussel woont zie je elke dag heel erg schrijnende toestanden. Dingen die in onze welvaartsmaatschappij niet zouden mogen. Dingen die gespeend zijn van basis-humanisme. Als je in een grootstad als Brussel woont zie je elke dag heel erg schrijnende toestanden.

Men vraagt en zegt mij heel vaak: “ben je dan voor open grenzen”? “We kunnen toch niet iedereen binnenlaten”? Ik weet het antwoord daarop ook niet meteen. Ik ben niet blind voor de complexiteit van de problematiek en weet dat er geen makkelijke oplossingen zijn. Maar een gezicht kunnen plakken op die anonieme mannen en vrouwen die in onze kranten en op onze journaals opduiken.

Luisteren, tijd maken, een al dan niet virtuele hug of knuffel geven aan zij die net als wij tenslotte maar mensen zijn. Ze als gelijken beschouwen en ze in hun waarde laten en die waarde (h)erkennen. Ze wijzen op rechten en plichten en die desnoods afdwingen. Ze doorverwijzen naar die mensen en instanties die mogelijks iets voor ze kunnen betekenen. Dat is wat mij betreft slechts een begin.