Vluchtelingenwerk ontgoocheld over uitspraak Grondwettelijk Hof rond nieuwe asielwet

In 2018 hervormde ons land de asielwetgeving. De nieuwe regelgeving[1] was een omzetting van Europese asielrichtlijnen. Ons land wachtte 2 jaar om die richtlijnen om te zetten. Ondanks de bezorgdheden van het middenveld werden de rechten van verzoekers om internationale bescherming en hun procedurele waarborgen in de wetswijziging ingrijpend beperkt. Daarom dienden Vluchtelingenwerk Vlaanderen en 8 andere organisaties in 2018 een beroep in bij het Grondwettelijk Hof tegen deze nieuwe asielwetgeving. Het Hof heeft zich nu over de zaak uitgesproken.

Het arrest van 25 februari 2021 is over het algemeen teleurstellend. Het Hof roept slechts in beperkte mate een halt toe aan de uitholling van de rechten van mensen op de vlucht. Het wettelijk kader zoals het nu voor ligt, leidt tot rechtsonzekerheid, willekeurige vasthoudingen en terugkeer van vluchtelingen naar gevaarlijke landen van herkomst.

Van de 22 grieven die we hebben voorgelegd, resulteren er 7 in vernietigingen van bepaalde wetsartikels. Daarnaast geeft het Hof op basis van 7 andere grieven een gunstige interpretatie aan problematische wetsartikels. In alle andere grieven oordeelt het Hof in ons nadeel. Hieronder stellen we een overzicht voor van de belangrijkste beslissingen. Dit is geen volledig overzicht van alle beslissingen van het Grondwettelijk Hof [2]. Indien u meer informatie wenst, kan je je richten tot info@vluchtelingenwerk.be.

1) Stopzetten criminalisering van vluchtelingen

De wetswijziging van 2018 was zo geformuleerd dat het niet uitgesloten was om erkende vluchtelingen strafrechtelijk te vervolgen omwille van hun irreguliere binnenkomst op Belgisch grondgebied. Dit was volgens ons een eerste stap richting het ‘Australische model’ dat focust op de criminalisering en terugdrijven van vluchtelingen die op irreguliere wijze het grondgebied binnenkomen. Het Hof verduidelijkt nu dat dit niet het geval is, en dat de wetswijziging van 2018 het niet toelaat om erkende vluchtelingen strafrechtelijk te vervolgen omwille van hun irreguliere binnenkomst. Deze duidelijke interpretatie van het Hof maakt het voorlopig onmogelijk naar het ‘Australische model’ te evolueren[3].  

2) Gedeeltelijke bescherming van privacy door hoge bewijslast

De wetswijziging van 2018 legde een onredelijk hoge bewijslast op aan verzoekers om internationale bescherming (IB)[4]. Daarnaast waren er verschillende artikels die onevenredige inmengingen in het privéleven van verzoekers om IB konden veroorzaken. Zo kreeg het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen (CGVS) de mogelijkheid om inzage te vragen in elektronische informatiedragers van verzoekers. De Federale Privacycommissie gaf dan ook een ongunstig advies over deze wetswijziging omdat de privacy van verzoekers niet voldoende gevrijwaard werd[5]. Voor de uitvoering van deze mogelijkheid tot inzage, moest er nog een Koninklijk Besluit (KB) gepubliceerd worden. Door het uitblijven van dit KB heeft het CGVS aangegeven dat zij deze bepalingen nog niet toepassen in de praktijk.

Het Grondwettelijk Hof volgt nu enkele van onze bezwaren. Hierdoor mogen de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RvV) de identiteitsdocumenten van verzoekers om internationale bescherming vanaf nu niet meer in bewaring houden. Daarnaast mag het CGVS niet zomaar inzage vragen in elektronische dragers van verzoekers om IB. Als het CGVS dit toch wenst, moet het dit formeel motiveren en mag het enkel datgene onderzoeken wat de verzoeker heeft voorgelegd.

Ondanks deze positieve interpretaties, betreuren wij het dat het Hof deze bepalingen niet volledig heeft vernietigd. Hierdoor beschikt het CGVS immers nog steeds over verregaande bevoegdheden die een buitensporige inmenging in het privéleven van verzoekers om IB met zich meebrengen.

3) Beperking van opvang voor bepaalde asielzoekers

De wetswijziging maakt het mogelijk voor Fedasil om bij bepaalde categorieën van verzoekers om IB de opvang te beperken of in te trekken. Zo kan de opvang beperkt worden van verzoekers die hun opvangcentrum verlieten zonder Fedasil hiervan op de hoogte te brengen. Daarnaast zijn we ook van mening dat deze wet de mogelijkheid nog versterkt om quasi systematisch opvang te weigeren bij een volgend verzoek om internationale bescherming. Dit leidt volgens ons tot een stevige achteruitgang van de bescherming van de grondrechten van verzoekers om IB. Het Hof oordeelt nu dat dit niet het geval is, aangezien elke beslissing om de opvang te beperken individueel beoordeeld en formeel gemotiveerd moet worden.

4) Vasthouding van verzoekers om internationale bescherming

Door de wetswijziging van 2018 is het veel makkelijker om verzoekers om IB op te sluiten. De wetsontwerpen bevatten naar onze mening te weinig waarborgen om willekeurige vasthouding te voorkomen. Het Grondwettelijk Hof heeft onze bezwaren niet gevolgd, waardoor de problematische bepalingen die het risico op vasthouding verhogen ongewijzigd blijven bestaan. Zo is het mogelijk om verzoekers op te sluiten tijdens hun procedure als er een ‘risico op onderduiken’ bestaat. De definitie van ‘risico op onderduiken’ is zo ruim dat heel wat mensen hierdoor worden getroffen. Het Hof oordeelt nu dat deze definitie wel voldoende afgebakend is, waardoor de vrees voor willekeurige vasthouding niet gegrond is of zou zijn.

De wetswijziging laat de Belgische overheid ook toe om verzoekers om IB vast te houden aan de Belgische grens. Door het ontbreken van de ‘noodzakelijkheidstest’ - de verplichting om minder dwingende maatregelen te overwegen en de individuele beoordeling van elk geval -, is er een groot risico op willekeurige vasthoudingen aan de grens. Het Grondwettelijk Hof volgde ons niet in onze redenering, waardoor de bepalingen die deze willekeurige vasthouding aan de grens mogelijk maken ongewijzigd blijven.

5) Beperkte rechtstoegang

De wetswijziging verkortte een aantal beroepstermijnen. In bepaalde gevallen hebben verzoekers om IB nog maar 10, soms zelfs slechts 5 dagen op beroep aan te tekenen tegen een beslissing van het CGVS. Daarnaast verdween het opschortende karakter van bepaalde beroepsprocedures. Dit betekent in de praktijk dat sommige verzoekers om IB tijdens hun beroepsprocedure het voorwerp kunnen zijn van een gedwongen terugkeer. Deze wijzigingen resulteren in een beperkte rechtstoegang, waardoor verzoekers geen effectief rechtsmiddel kunnen uitoefenen.

Het Grondwettelijk Hof volgt ons niet in onze grieven. Het oordeelt dat de verkorte termijnen voldoende zijn voor verzoekers om een beroep in te dienen, aangezien zij recht hebben op juridische bijstand vanaf het begin van de procedure. Verder ziet het Hof er geen graten in dat bepaalde beroepsprocedures geen opschortende werking hebben. Het meent dat er voldoende waarborgen zijn om te verzekeren dat de fundamentele mensenrechten van de betrokkenen gerespecteerd worden.

Besluit

Door de uitspraak van het Hof worden er enkele problematische artikels duidelijk geïnterpreteerd in het voordeel van verzoekers om IB, en worden bepaalde bevoegdheden van het CGVS strenger gereguleerd. Zo worden er voorwaarden gesteld aan de mogelijkheid van het CGVS om inzage te vragen in de elektronische dragers van verzoekers om internationale bescherming. Daarnaast mogen de identiteitsdocumenten van verzoekers niet meer gedurende de gehele procedure in bewaring genomen worden. Deze duidelijke interpretaties van het Hof stemmen ons tevreden.

Toch zijn er een aantal zeer kwalijke pijnpunten in dit arrest. Zo zet de wet de deuren wagenwijd open naar willekeurige detentie, hebben verzoekers om IB een slechtere toegang tot de rechter, en wordt hen nog steeds een erg hoge bewijslast opgelegd. Bovendien zorgt het verminderen van procedurele waarborgen en het verkorten van beroepstermijnen ervoor dat verzoekers geen toegang hebben tot een effectief rechtsmiddel. Vluchtelingenwerk vreest dat het Grondwettelijk Hof met dit arrest een belangrijke kans heeft gemist om de uitholling van een aantal essentiële rechten een halt toe te roepen.



[1] Het gaat over wetteksten bekend als de Opvangwet en de Vreemdelingenwet, zoals gewijzigd bij de wet van 21 november 2017 en 17 december 2017.

[2] Grondwettelijk Hof, arrest nr. 23/2021, 25 februari 2021, hier raadpleegbaar

[3] Op 30 september 2020 diende N-VA een voorstel van revolutie in over ‘de invoering van een humaan europees migratiemodel dat mensensmokkel en illegale migratie effectief bestrijdt’, wat een kopie is van Australische model. Myria werd door de commissie Binnenlandse Zaken, Algemene Zaken en Openbaar Ambt gevraagd een advies hierover te geven. In dit advies worden de belangrijkste kritieken op het Australische model opgesomd, hier raadpleegbaar.

[4] Een verzoeker om internationale bescherming (vroeger ‘asielzoeker’ genoemd) is een vreemdeling die een aanvraag indient om erkend te worden als vluchteling die voldoet aan de voorwaarden van artikel 1 van het Internationaal Vluchtelingenverdrag van 1951 (Conventie van Genève).

[5] Federale Privacycommissie, advies nr. 57/2017, 11.10.2017, hier raadpleegbaar.